|
ZIJ |
Wij worden zo oud dat onze onderbroeken langer zijn
dan onze ingeklonken benen. Ik duw je rolstoel de boot op als we een
tochtje willen maken over de Rijn – oudjes willen heus wel meer zien
dan alleen hun herinneringen. Maar we rollen de plank weer af, ik
heb geen kracht meer in mijn armen. Vroeger wel, toen was ik potig,
toen had ik je zo als een kist bananen aan boord kunnen gooien. We
blijven achter op de kade terwijl de grijze knotjes en het manshoge
plastic schaakspel op het bovendek wegdobberen over de rivier. 'Gaan
we al dood?' vraag jij. 'Nee,' zeg ik, 'nog lang niet. Ik duw je
eerst nog naar huis.' 'En als ik nu dood wil?' vraag jij. 'Dat gaat
niet,' zeg ik, 'daarvoor heb ik te weinig kracht meer in mijn
handen.'
En als je dan doodgaat uiteindelijk, gewoon, in je
leunstoel, terwijl je je antieke horloge opwindt, dan denk ik dat ik
eerst een boterhammetje eet, omdat het één uur is en we altijd om
één uur eten. Halverwege die boterham kan ik ineens niet meer
kauwen, ik kijk alleen maar naar mijn bord, waar het plakje kaas
begint te zweten. Dan sta ik op en merk ik dat ik niet meer kan
lopen. Ik kan ook niet meer knipperen met mijn ogen, ik kan alleen
nog maar staren als een moedervlek. Gunst, denk ik nog in een moment
van bewegelijkheid, ik kan zo naar Madam Tussauds, als de hulp
binnenkomt, die het nodige heeft meegemaakt, maar toch schrikt als
ze het lopende horloge ziet in jouw stille handen.
Ik denk dat er daarna niets meer is. Geen Rijn, geen
één uur, geen plastic paarden op een zwart veld. Ik zou niet weten
hoe ik dan aan tranen moest komen. |